Plaatsingsdatum: 10 maart 2022

Bijbellezingen: 2 Kronieken 1: 7-13 en Lucas 11: 1-13          (Klik hier voor de teksten)

Heel opmerkelijk. Het lijkt wel een blanco cheque. Om haast een beetje jaloers op te zijn. ‘Wat wil je dat ik je geef?’ is de uitnodigende vraag die de Almachtige God van hemel en aarde stelt aan een mens van vlees en bloed, aan koning Salomo. Bijna niet te bevatten.

Salomo krijgt gelegenheid te vragen wat Hij maar wil. Zonder beperkingen. En Salamo vraagt om wijsheid en inzicht. Wijsheid als de bekwaamheid om goede afwegingen te kunnen maken als hij een besluit moet nemen bij het leiden van het volk. Inzicht als het vermogen om te zien waar het op aankomt in complexe situaties. We lazen dat God de Heer content is met Salomo’s reactie. Salomo heeft het belang van het volk voor ogen gehouden, het volk dat God aan zijn leiding heeft toevertrouwd.

Wij als bidders van deze tijd staan misschien wel dichterbij die unieke situatie van Salomo dan we ons vaak bewust zijn. De mogelijkheid die wij hebben om voor Gods troon te verschijnen, om je handen te vouwen en te bidden, om met de Allerhoogste God te delen wat je op je hart hebt, dat is evenzo groots te noemen. Heeft ook wel iets van een blanco cheque. Alle ruimte om te vragen wat je wilt. Zeker als we de woorden van Jezus over het gebed beluisteren, zoals we dat zojuist lazen in het evangelie naar Lucas. We komen daarin geen enkele belemmering tegen. Eerder een aanmoediging. ‘Vráág en er zal je gegeven worden…’ Vráág gerust!

Die aanmoediging van Jezus staat in een specifieke context. Die context is dat Jezus zijn leerlingen als eerste beginsel leert om God aan te spreken als Vader. Als ‘Onze Vader’. Daarmee valt over alles wat we mogen bidden, valt over alles wat we aan verlangens mogen delen, het licht van de vader-kind relatie die we met God de Heer mogen hebben. Een relatie van wederzijds vertrouwen. Een relatie van erkenning en ontzag.

Het is niet nieuw dat Jezus in zijn onderwijs over het gebed God ‘onze Vader’ noemt. Jezus grijpt ermee terug op een Oudtestamentische traditie. We moeten ervoor terug naar de tijd dat het volk Israël in Egypte in slavernij leefde en redding nodig had. God verklaarde bij monde van Mozes en Aäron aan de Egyptische farao: ‘Israël is mijn zoon, mijn eerstgeborene. Dus laat mijn volk gaan.’ (Exodus 4) Vanaf die tijd was het aanroepen van de God van Israël, de God van de Exodus, de bevrijdende God, de God die brood geeft aan de hongerige, manna in de woestijn, die vergeving geeft aan de zondaar en verlossing van de macht van de duisternis, vanaf die tijd stond het aanroepen van de God van Israël in het teken van Gods Vaderschap.

Jezus illustreert die unieke relatie die wij mogen onderhouden met de Almachtige God met een gelijkenis. Hij schetst de situatie dat een vriend midden in de nacht komt en om 3 broden vraagt omdat iemand na een reis bij hem is aangekomen en hij niets in huis heeft. Je moet je voorstellen dat in die tijd het hele gezin naast elkaar op de grond sliep. Als de vader midden in de nacht wakker gemaakt wordt, dan wordt dus het hele gezin wakker gemaakt. Dat doe je dus niet zomaar. En toch klopt de vriend in Jezus’ gelijkenis aan de deur en gelooft er blijkbaar in dat zijn slapende kameraad hem kan en zal helpen en het zal begrijpen dat hij de hele familie wakker maakt.

God onze Heer lijkt niet op een slaperige vriend. Dat is niet wat Jezus ons wil vertellen. Jezus richt wel onze aandacht hierop: dat ons gebed iets van een heilige durf mag bevatten, dat we in zo een relatie staan met God de Vader dat we een nadrukkelijke klop op de deur mogen geven, ja dat we aanhoudend mogen zijn in ons contact zoeken, als een zoektocht waarbij we niet opgeven. Omdat je weet dat je hemelse Vader zich niet doof zal houden. Omdat je weet dat de band tussen Hem en jou oersterk is.

Wat Jezus schetst in deze en nog andere kleine gelijkenissen is steeds dat de focus bij datzelfde aspect van ons bidden mag liggen. Namelijk dat God niet een anonieme God is die zich ergens schuilhoudt. En dat God niet een god ver weg is die we gunstig moeten stemmen om iets van hem gedaan te moeten krijgen. Nee de God van Israël is als een betrokken liefhebbende vader. En wij zijn als zijn kinderen die alles aan Hem te danken hebben. Hij is de oorsprong van ons leven. Hij is de bron van wie wij zijn. Die sterke band schept ruimte en vrijmoedigheid om volledig open te zijn in je gebed. Te delen wat je op je hart hebt. Inderdaad zonder beperkingen.

Niettemin speelt de indringende vraag hoe het kan dat we voor ons gevoel niet altijd ontvangen waar we om vragen. Jezus is immers zo stellig dat wie vraagt gegeven zal worden, hoe kan het dan dat dit voor ons gevoel vaak niet gebeurt? Waarom verhoort God mijn gebeden niet?

Het is een vraag die behoorlijk aan je kan knagen. Je zelfs op het verkeerde been kan zetten. Bijvoorbeeld omdat je in je redeneren erop uitkomt dat God er misschien een bedoeling mee heeft om niet te geven wat je vraagt. Als het gaat bijvoorbeeld om een gebed om genezing van ziekte, dan wordt het twijfelachtig of God wel het beste met je voorheeft. Een ander antwoord dat wel gegeven wordt is dat je misschien niet genoeg geloof hebt gehad. Daarmee maak je het resultaat van je bidden afhankelijk van je eigen geloofsprestatie. Dat staat nergens zo in de Bijbel en kan je onzeker maken en zelfs schadelijk zijn voor je vertrouwen.

Wanneer we de lastige vraag stellen waarom God gebeden niet verhoort, dan is dat misschien een vraag die uitgaat van een te beperkte kijk op wat er gebeurt als we bidden: bidden als een vraag stellen om zodoende iets gedaan te krijgen. Maar bidden is – zo proef je in de woorden van Jezus – iets anders. Bidden is veel meer in een vertrouwde veilige ruimte samen-zijn met God. Bidden is contact hebben met je hemelse Vader. Ik las ergens de opmerking dat bidden niet de manier is om je tekorten op te lossen, maar bidden is een manier om samen met God met je tekorten te leren omgaan.

Voor wie de beleving heeft dat gebeden niet verhoord worden is dat zeker niet een schrale troost. Want Jezus doet een geweldige belofte. Hij belooft dat wie vraagt om wat dan ook, de Heilige Geest ontvangt. Het moeilijke van de Heilige Geest is natuurlijk dat we Hem niet direct kunnen waarnemen. Toch is zijn nabijheid en kracht essentieel en maakt het verschil. De gave van de Heilige Geest betekent dat de aanwezigheid van God in ons leven komt. En dat, de aanwezigheid van God in ons leven, dat is een wezenlijk en rijk antwoord op ons bidden. Of anders gezegd: bij het bidden gaat het niet om onze vragen en Gods oplossing. Het gaat erom dat we met God mogen omgaan temidden van al onze vragen.

Zo zullen wij dan ook bidden op deze Biddag. Misschien dat we dat op deze Biddag meer dan anders doen vanuit een gevoel van afhankelijkheid. Een gevoel van machteloosheid om wat er gaande is in Oekraïne. Een gevoel misschien ook wel dat ons bidden niks zal veranderen. Maar in het licht van Jezus’ belofte, is ons bidden een ontzagwekkende mogelijkheid. Gods Geest, zijn kracht die in ons werkt, is in staat oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen (Efeze 3: 20).

Amen.

Biddag voor Gewas en Arbeid, 9 maart 2022
Ds. Gerlof van Rheenen