Dit verhaal gaat over . Frits woont helemaal alleen in zijn huisje in Westenholte. En hij slaapt, want hij is . Al een hele tijd voelt hij zich helemaal niet lekker. En daar ligt hij, alleen in zijn huisje. Niemand die zich om hem bekommert. Op zich is dat ook niet zo gek, want Frits gelooft wel in de Here Jezus, maar Frits is ook een beetje . Dat zien de mensen direct. En dat is nog niet alles. Frits is ook niet altijd even aardig. Hij maakt vaak , moppert veel, heeft maar weinig vrienden. En ja, als je dan ziek wordt, zoals Frits, en naar bed moet, dan blijft het al met al wat stil om je heen. Die vreemde, onaardige Frits krijgt van niemand een kaart, niemand die eens even komt kijken hoe het nu met hem gaat. Niemand? Dit is . Tim zit bij Frits in de klas. Frits heeft vaak ruzie gemaakt met Tim. Ze zijn nou niet écht vrienden. Maar toch gaat Tim op een dag naar Frits. Hij neemt zelfs een bosje mee. “Frits, hoe gaat het nu met je? Ik hoop dat je snel weer beter wordt! Kunnen we weer lekker samen ruziemaken – of nee: voetballen.” Nou ja! Zoiets doe je toch niet? Maar waarom doet Tim dat dan wel? Dat heeft te maken met het Bijbelgedeelte van vandaag. Daar staat dat je, als je gelooft, ànders naar elkaar kijkt. Niet zoals je anders misschien zou doen: “Frits is vervelend. Frits heeft flaporen. Laat Frits maar lekker waaien”. Nee: ik hoor bij Jezus, maar Frits ook! En als de Here Jezus dichtbij Frits wil zijn, dan vindt Hij het vast niet fijn als ìk Frits maar laat zitten…. De Here Jezus zou Frits missen, en hem beter maken misschien – daarom mis ik Frits ook. Weet je wat er nu met Tim is gebeurd? Binnen in hem is het warm geworden. Als een . Dat komt door de Heilige Geest. Weet je waar dat gebeurd? In de . Oók in de ? Brandt dat vuur hier ook, en worden mensen hier ook zo warm voor de Here Jezus en voor elkaar? Daar gaan we de komende tijd weer mee aan de slag…. Weet je, dat hele verhaal van Frits en Tim kun je samenvatten in één zinnetje: . Eén zinnetje waar je heel, heel lang over na kunt denken. Er staat dus eigenlijk dat de , de mensen die daar binnen zitten, samen Jezus zélf zijn. Hè? Zijn wij samen: Jezus? Je zou ‘nee’ verwachten – maar het staat er wél! Kijk, de Here Jezus is in de hemel – maar door dat vuur, door de Heilige Geest, is Hij overal aan het werk. Is Hij overal –zelf, en ook hier. Wij zijn en moeten zijn een vorm waarin de Here Jezus bestaat. Wij zijn zijn lichaam – en zijn Geest maakt er iets bijzonders van: als Jezus zelf! Dat betekend dat , dat jongetje met die bloemen, een klein stukje is van de Here Jezus zelf. Tim is bijvoorbeeld zoiets als de van de Here Jezus. Maar wat staat er verder in het Bijbelgedeelte, en wat hebben we ook gezongen: niemand is alleen maar hand; als een lichaam alleen maar handen heeft, dan kun je niet ruiken of horen of rennen. Je hebt méér nodig dan alleen maar handen. De hand kan niet zeggen tegen de : “Ik heb jou niet nodig!”. Ook de Here Jezus heeft niet allen handen, zoals Tim, die goed bloemen kunnen geven; Hij heeft ook voeten, waarmee je kunt reizen om anderen te bereiken. De voeten en de handen hebben elkaar nodig! Misschien is de zieke Frits wel zo’n voet. Of een soort . Dus heel goed van Tim – hij wist best dat hij anders naar Frits moest kijken. Hij zei: “Hé Frits, ik heb jou nodig hoor! Jij hoort erbij”. Ook al ben je veel jonger of juist veel ouder, of helemaal niet zo slim, of een beetje onhandig: je bent wel een deel van dat lichaam van de Here Jezus. Zo ging dat met Tim en Frits. En we hebben de Bijbel gelezen. Daar staat het ook voor ons, voor jou en u: bent een deel van het lichaam van de Here Jezus. Dat is mooi! En zo moeten we naar elkaar kijken. Amen. |